Bolletje Wol

In het diepe woud






De wereld is betoverd. Ik voel het in het water. Ik voel het aan de aarde. Ik ruik het in de lucht. Veel dat ooit was, was in vergetelheid geraakt. Het begon in een bosvijver, in een archaïsch woud aan de rand van de menselijke beschaving, waar een vrouw, in het geheim, het troebele water een kindje schonk. Het kindje merkte zekere verandering van milieu op, doch had geen last van enige benauwdheid. Terwijl de moeder enkele seconden moest bijkomen van haar immense inspanning, rukte het de navelstreng af en zwom het bij haar vandaan. Tussen de wortels van de mangroves wachtte het tot de moeder het verloor van haar schuldgevoel, en zichzelf ombracht van verdriet. Als een alligator dreef hij naar haar toe en voedde zich aan haar melk. In zijn gulzigheid liet hij niets van haar tepels heel.
Jaren gingen voorbij en het kind groeide op, gevoed door braam, paardenbloem, bijvoet, korensla en ander groen. Steeds vaker roofde hij naar vissen die zich in het water tussen de mangroves, van het oerbos, ophielden. Zijn tong lokte ze zo zijn bek in. Tientallen jaren gingen nu voorbij tot het kind tot een volwassenen was geworden. Als een koning van het bos heerste hij over het de bodem, het water, de planten en de dieren. Tientallen jaren werden honderden jaren en het voelde zich steeds vaker eenzaam, alleen en koud. Zo verging de tijd, terwijl hij in de beschutting lag, dat de wilderige planten hem nog konden bieden, tot hij een geluid hoorde dat hij in het diepst van zijn geweten herkende. Het was een man, een avontuurlijk typ moest het zijn, die een wiegenliedje zong voor zijn ongeboren baby, tientallen kilometers van hem vandaan. Het geluid kwam dichterbij. Voordat het mens het in de gaten had was zijn nek dwars af gebeten en plofte zijn levenloze lichaam, gescheiden van het hoofd, op de zachte ondergrond. De koning van het bos had zijn slachtoffer de snelle doodstraf gegeven. In de hand van het lijk was een lange bijl vastgeklemd, dat aan de andere kant tevens als hamer dienen kon. De mensen wilden zijn woud vernietigen. Er kwam een vastberadenheid in hem op zich op de mensheid te wreken. Hij pakte de bijlhamer op en kroop richting het begin van de menselijke wereld. Hij ondersteunde zich met zijn nieuwe instrument, rechtte zijn rug en vervolgde zijn weg op twee voeten.
In het dorp van de houthakker was men bezig met voorbereidingen op een groots feest. Een feest ter ere van de goden van het mysterieuze woud. Mensen liepen over en weer om alles in gereedheid te brengen. Vlaggen en spandoeken werden gehesen, een groot standbeeld stond op het dorpsplein, biervaten werden naar het plein gerold. Opeens klonk er een scherp geluid vanuit de wachttoren, de alarmbellen klonken, er was gevaar. Paniek brak uit. ''Een monster, een monster!'' riep de wachter vanuit zijn toren. Iedereen was in rep en roer, maar de krijgers van het dorp waren vastberaden het dorp te verdedigen. Ze barricadeerden de poort van het dorp en namen stelling op de houten muren met bogen in de hand. Het beest rende nu op de poort af, terwijl de pijlen zijn kant op vlogen. Zijn pantser was zo dik dat deze geen effect leken te hebben. ''Het is een alligatorschildpad!'' riep een van de krijgers. ''We kunnen hem niet met pijlen doorboren.'' Op zijn aanraden vlogen ze de trappen af om het beest achter de poort op te wachten. Grote speren waren nu op de poort gericht, die het zwaar te verduren had met een rammen van een grote hamer op het houtwerk. Even leek het beest het op te hebben gegeven toen de slagen op de poort waren opgehouden, maar op dat zelfde moment dat dit gunstige vooruitzicht in hen opkwam, vloog er een reusachtig beest door de poort heen. De mannen stapten van schrik een meter achteruit, waarna ze het beest terug probeerden te dringen uit het dorp. Het beest vocht echter hevig terug en na een fel gevecht waren alle krijgers vermoord of gevlucht.
Nu gebeurde het dat het monster de mannen uit het dorp bijeen riep en hij zijn toespraak begon: ''Vandaag heb ik dit dorp ingenomen uit wraak voor de poging mijn woud aan te tasten. In mijn lange wandeling naar hier toe heb ik besloten dat de mens een natuurlijk kwaad is, dat onder controle gebracht dient te worden. Ik zal hier voor zorgen door van jullie schaapherders een sterk leger te maken. We zullen dorpen plunderen, vrouwen verkrachten en nieuw gezag dragen over deze dorpen. Zo zullen we uitgroeien tot een machtig rijk, dat weerstand biedt tegen het kwaad in de wereld. Als een plukje wol, dat wordt verweven tot een bolletje stevig draad.
En zo geschiedde het dat dit monster dorpen aan zich bond. Hij roofde, plunderde en dode alles dat zich tegen hem keerde. Zijn invloed groeide en groeide, en overal was zijn naam bekend geworden. SjoerT, het hamerende monster was gekomen om de mensheid onder zijn macht te brengen, uit wraak voor de vernieling van een jonge hazelaar in de diepte van het onbekende plantenrijk.